Elk project kent zijn eigen risico’s
Algemeen
| Laatst gewijzigd:17-06-2015 16:35 | Ingrid Koenen |
Den Haag - Elk bouwproject kampt met risico’s, waarvan slechts een deel specifiek is. De afgelopen jaren worden de potentiële tegenvallers vooraf in kaart gebracht en wordt getracht ze te beheersen. Toch gaat er met grote regelmaat van alles mis. Kernvraag is dan wie voor de meerkosten opdraait.
< vervolg van pagina 1
Met de komst van de integrale contracten is een grote verschuiving opgetreden in de richting van de markt. Wie het ontwerp maakt en de uitvoering doet, eventueel aangevuld met onderhoud, is daar ook verantwoordelijk voor. Deze basisgedachte ligt vast in de spelregels van de UAV-gc en het standaardcontract dbfm(o).
Veel marktpartijen vinden inmiddels dat zij te veel risico’s op hun bordje geschoven krijgen, terwijl de opdrachtgevers op het standpunt staan dat ze daar zelf mee instemmen en dat de risicoverdeling in samenspraak wordt verdeeld. Vaak staat er een royale vergoeding tegenover, in ruil voor extra onzekerheid.
Bij geïntegreerde projecten nemen aannemers risico’s op zich tot wel 30 procent van de aanneemsom. “We hebben daarmee het Paard van Troje binnengehaald”, verzuchtte Gerrit-Jan van der Pol bij de presentatie van de jaarcijfers van GMB. Bijna alle topmannen, van BAM tot Ballast Nedam en van Dura Vermeer tot TBI, willen af van grote projecten (boven 500 miljoen euro) en streven naar een evenwichtiger risicoverdeling en krijgen bij de Zuidas voor het eerst voet aan de grond.
Bij het Sluizenprogramma van Rijkswaterstaat werd voor het eerst geconstateerd dat de belangstelling van marktpartijen terugloopt en voor de Zuidas zijn slechts twee consortia in de race. Bouwhinder en bereikbaarheid zijn de grootste marktrisico’s bij het project in Amsterdam, dat een contractwaarde heeft van 1 miljard euro. De opdrachtgever neemt de risico’s voor de ondergrond en vergunningen op zich.
Per bouwproject verschillen de risico’s, afhankelijk van de spelers, de omgeving en de complexiteit. Vaak zijn dit soort gegevens niet openbaar, maar Cobouwzette er een aantal op een rij, zoals de zogenoemde lijstrisico’s van de Coentunnel, de onzekerheden bij de Noord-Zuidlijn, de toprisico’s bij dijkverhogingen en de risicoverdeling van de alliantie bij de Waterwolftunnel.
Bovendien zijn grofweg zeven gemene delers te onderscheiden die bijna bij alle bouwprojecten een hoofdrol spelen. Ze zijn getoetst bij een groot aantal bouwexperts uit de praktijk en worden breed herkend. De planning en het budget zijn misschien wel het meest kwetsbaar waardoor de kosten snel kunnen oplopen. Zodra de opleveringsdatum verandert, komt de begroting onder druk te staan.
De planning en het budget komen ook onder druk te staan bij het optreden van een van de andere risico’s en zijn daarmee zo algemeen dat de ervaringsexperts ze niet onderscheiden als aparte risico’s. Verder heeft elk bouwproject te maken met technische risico’s, maar alle partijen zijn het erover eens dat bouwers die over het algemeen goed onder de knie hebben en dat de technische uitdagingen bij de markt horen.
Veel onvoorspelbaarder is de ondergrond waarop of waarin wordt gebouwd. Daar kunnen onverwacht explosieven, vervuilingen of kabels en leidingen liggen, maar de grondlagen kunnen ook onvoorspelbaar slap of juist hard zijn. Zo werd het ontwerp van de tunnel in de A4-Schiedam gebaseerd op de aanwezige kleilaag, maar die bleek doorboord met zandpalen.
Bovengronds krijgt vrijwel elk project te maken met raakvlakrisico’s, de plekken waar verschillende disciplines en contracten of de omgeving elkaar raken. In de dagelijkse bouwpraktijk komt dat tot uiting in aansluitingen die niet kloppen, onhandige verbindingen, foute berekeningen, onlogische constructies of materiaalcombinaties. De kosten om ze alsnog te verbinden zijn relatief hoog. Bij geïntegreerde contracten liggen die risico’s zonder uitzondering bij de markt, maar dat wil niet zeggen dat ze niet optreden.
Zeer hoog scoort de afstemming met ‘derden’, al dan niet in combinatie met bezwaren en vergunningen. De tijd dat een project zich alleen binnen het bouwhek afspeelde is allang voorbij. Niet alleen moet er veel worden afgestemd met omwonenden, maar ook bij het verwerven van gronden en verleggen van kabels en leidingen.
Vaak hebben die externe partijen helemaal geen belang bij de nieuwe bouwactiviteiten en staan de verhoudingen op scherp. De zaken worden verder gecompliceerder als bezwaar wordt gemaakt tegen vergunningen of procedures opnieuw door de molen moeten, een enorm risico op vertraging en tegenslag. Voor een gemiddeld bouwproject zijn al snel honderden vergunningen nodig, voor een megaproject als de A15 Maasvlakte-Vaanplein zelfs duizend.
Bij het Zuidasdok is nu afgesproken dat de opdrachtgever het risico voor de vergunningen zal dragen, een kentering ten opzichte van de geïntegreerde contracten van de afgelopen jaren.
Ook zeggekorfslakken, vleermuizen en dassen zorgen ervoor dat ontwerpen moeten worden aangepast en vergunningen op zich laten wachten. De nieuwe Omgevingswet zou die praktijk moeten verbeteren. Echter nieuwe wet- en regelgeving zijn alweer een risico op zich, zoals afgelopen jaren bleek bij de wet Luchtkwaliteit, maar ook rond de tunneltechnische installaties.